(42) Burn-out beslommeringen
Mar 20, 2026
De stoel van Kamran staat leeg. Niet symbolisch leeg, maar letterlijk fysiek leeg. Zijn jas hangt nog over de rugleuning, zijn mok staat halfvol op het bureau. Alsof hij elk moment kan binnenlopen, maar hij komt niet.
“Burn-out,” had Guus kort gezegd.
“Per direct thuis.”
Er ging een schok door het team. Niet Henk, niet iemand die al weken zichtbaar worstelde, maar Kamran. Degene die altijd grapjes maakte. Die overal bij was. Die nooit klaagde.
“Dat had ik echt niet zien aankomen,” zegt Tom zacht.
“Als iemand zou uitvallen,” mompelt iemand anders, “had ik mijn geld op Henk gezet.”
Henk kijkt naar de tafel.
Niemand bedoelt het verkeerd, maar de zin blijft hangen.
“Als iemand zou uitvallen, had ik mijn geld op Henk gezet.” Niemand bedoelt het verkeerd, maar de zin blijft hangen.
Binnen tien minuten schuift het gesprek naar de agenda. Taken moeten verdeeld. Dossiers moeten overgenomen worden en deadlines blijven gewoon bestaan.
“Wie pakt de subsidieaanvraag op?”
“En het overleg met Ruimte?”
“Dat moet wel door.”
Iedereen kakelt door elkaar heen.
Nova luistert.
Ze herkent het mechanisme. Het systeem eerst, de mens later.
Ze steekt haar hand op.
“Mag ik iets vragen voordat we de taken verdelen?”
Er wordt geknikt.
“Wat hebben we gemist?”
Het is geen beschuldiging of verwijt. Het is gewoon een vraag.
Er valt een stilte.
“We nemen snel aan dat alles goed gaat. Totdat het niet meer gaat. En dan schrikken we.”
“Hij zei toch altijd dat het goed ging,” zegt Marianne.
“Ja,” zegt Nova rustig, “maar hebben we het hem echt gevraagd? Niet ‘druk hè?’, maar ‘hoe gaat het met je?’”
Tom schuift ongemakkelijk.
“Ik dacht dat hij gewoon veel energie had.”
“Misschien had hij dat ook,” zegt Nova.
“En misschien kostte het hem meer dan we zagen.”
Ze denkt aan Henk. Aan Julia. Aan Marieke die stiller werd.
“We nemen snel aan dat alles goed gaat,” vervolgt ze.
“Totdat het niet meer gaat. En dan schrikken we.”
Niemand spreekt tegen.
“Het gaat me niet om schuld,” zegt Nova.
“Het gaat me om verbinding. Als we alleen praten over werk, missen we wat eronder leeft.”

Ze kijkt naar de lege stoel.
“Kamran hoeft niet terug te komen in een team dat alleen zijn taken heeft verdeeld. Hij moet terugkomen in een team dat zich afvraagt hoe het met hem ging vóórdat hij uitviel.”
Henk knikt langzaam.
“Ik had ook niet alles gedeeld,” zegt hij zacht.
“Dat is precies het punt,” antwoordt Nova.
“Veiligheid zit niet in protocollen. Het zit in kleine momenten van oprechte interesse.”
“Veiligheid zit niet in protocollen. Het zit in kleine momenten van oprechte interesse.”
Als het teamoverleg verder gaat wordt er minder over taken gesproken, maar meer over signalen. Over druk die niet altijd zichtbaar is. Over hoe makkelijk het is om energie te verwarren met draagkracht. Aan het einde blijven de dossiers liggen waar ze lagen.
De stoel is nog steeds leeg, maar het gesprek is anders.
Later, als Nova haar tas pakt, hoort ze Super in haar hoofd brommen:
“Mens, jullie zien pas dat iemand moe is als hij omvalt.”
Nova zucht.
“Misschien,” fluistert ze, “kunnen we leren het eerder te zien.”
En morgen begint dat niet met een nieuw plan.
Maar met één simpele vraag.